Tour de Frase: de mooiste wielertermen en uitspraken van wielrenners

WielertermenWielrennen. Ik ken geen sport met zo’n breed palet aan termen, uitdrukkingen en gezegden die lezen als taalkundige hoogstandjes.

Pedaleer je mee?

Lijden

Een renner met pap in de benen zal nooit met twee vingers in zijn neus winnen. Die zit met zijn hol open of met zijn tong op het stuur. Een wielrenner die al een paar jasjes heeft uitgedaan, fietst zich vrijwel zeker het snot voor de ogen.

Het is te hopen dat hij op tijd eet, anders dreigt hongerklop en dan wacht onherroepelijk de man met de hamer. Reken maar dat het daarna enkel nog harken geblazen is.

Tempo

Het peloton kan lekker doorkachelen, alles op het kantje zetten of de boel op een lint trekken. Een eenling demarreert door er een snok aan te geven, maar dat lukt alleen als hij dat niet telefoneert.

Komt een renner tussen twee groepen te zwemmen, dan is hij met zijn chasse-patate de schlemiel van de dag.

Pijnigen

Wielrenners kunnen in de bergen aan het elastiek hangen en in de sprint een kwak geven of de deur dichtdoen.

Je fietst iemand zoek door hem op het rooster te leggen of door zijn karretje in de poep te rijden.

Gerrie Knetemann

Van veel van bovenstaande gezegden is tienvoudig Touretappewinnaar Gerrie Knetemann de geestelijk vader. Ook wist hij bepaalde constateringen soms schitterend te verwoorden:

Als een voetballer valt, schreeuwt hij om zijn moeder. Als een wielrenner valt, schreeuwt hij om zijn fiets.

Het was de dood of de gladiolen.

Hennie Kuiper

Tijdgenoot en klassiekerspecialist Hennie Kuiper kon er ook wat van. Sommige uitspraken zijn klinkende slogans die een doorgewinterde copywriter niet zouden misstaan.

Na een slopende beklimming:

De sneeuw werd zwart voor m’n ogen.

Of:

Ik reed lek en de rest reed lekker.

Kuiper is het meest trefzeker in zijn definitie van het wielrennen:

Wielrennen is eerst het bordje van de ander leegeten en dan pas aan je eigen beginnen.

Wim van Est

Toen de eerste Nederlandse geletruidrager in 1951 in de afdaling van de Aubisque in een ravijn reed, zat de copywriter van zijn sponsor Pontiac niet te slapen. De horlogefabrikant legde Van Est de volgende legendarisch woorden in de mond:

Zeventig meter viel ik diep. M’n hart stond stil, maar mijn Pontiac liep.

Jacques Anquetil

Over klokjes gesproken, van monsieur Chrono is deze retorische vondst:

Hoe de ideale wielerprof eruit ziet? Men neme de benen van Merckx, het hoofd van Merckx, de spieren van Merckx, het hart van Merckx en de zegedrift van Merckx.

Lance Armstong

Tot slot een uitspraak van de grootste persona non grata in het wielrennen. Het is meer een motto, een mentaliteit, eentje waarmee je ook zonder racefiets prima voor de dag kan komen:

Pain is temporary, quitting lasts forever.

Geen speld tussen te krijgen.

Wat is jouw favoriet en mis je hier?

Reacties

  1. Haar Mertens zegt

    Mijn favoriet: “Wielrennen is eerst het bordje van de ander leegeten en dan pas aan je eigen beginnen.”

  2. Linkeballen!

  3. Kenny van Hummel: Mijn koppakking legdraf!

  4. Jacob Groen zegt

    Een hele mooie is, volgens mij ook van heer Knetemann: opgebaard over de finish komen.

    • Olivier zegt

      Jazeker! Als ik me niet vergis in combinatie met ‘het snot voor de ogen’… Goeie aanvulling, bedankt.